Hardwaresprite
Het vermogen van een videochip om een paar kleine, verschuifbare beeldjes met eigen coördinaten vast te houden en tijdens het tekenen door de straal over de achtergrond te leggen — bewegende graphics zonder dat de cpu één pixel aanraakt.
Toen framebuffers nog duur waren, konden homecomputers het scherm niet elk frame opnieuw tekenen. Het antwoord zat in de videochip: die hield een vast aantal kleine bitmaps — sprites — bij, elk met een eigen positie, en voegde ze regel voor regel samen met de achtergrond terwijl de straal over het scherm ging. De VIC-II van de Commodore 64 bood er acht, met ingebouwde botsingsdetectie; het OAM van de NES telde er 64, maar slechts acht per regel.
De beperkingen bepaalden de games. Wie het aantal per regel overschreed, zag sprites flikkeren of verdwijnen — vandaar spritemultiplexing, waarbij een sprite halverwege het scherm via een rasterinterrupt opnieuw wordt gepositioneerd. Toen blitters en later gpu's alles in getekende vlakjes veranderden, verdween de speciale hardware.