RIAA-egalisatie
De frequentiecurve waarmee elke vinylplaat wordt gesneden en die elke phonovoorversterker moet terugdraaien: bas omlaag, hoog omhoog, en daarna het omgekeerde.
Een groef met bas op volle sterkte zou zulke brede uitwijkingen vergen dat een plaatkant maar een paar minuten past en de naald eruit springt. Een groef zonder versterkte hoge tonen zou verdrinken in oppervlakteruis. Daarom snijdt de snijmachine de bas weg en tilt ze de hoge tonen op, grofweg ±20 dB over het hoorbare bereik, en doet de weergave precies het tegenovergestelde. Oppervlakteruis wordt zo onderweg terug zachter gezet.
Vóór 1954 had vrijwel elk label een eigen curve, en verzamelaars hadden voorversterkers met een keuzeknop nodig. De Recording Industry Association of America standaardiseerde toen één curve, vastgelegd met drie tijdconstanten: 3180, 318 en 75 µs. Daarom kan een draaitafel niet zomaar op een gewone lijningang. Er is een RIAA-trap nodig, ingebouwd in de versterker of in een apart kastje, en zonder klinkt alles dun en schel.