Gain staging
Op elk punt in de signaalketen het juiste niveau aanhouden, zodat niets bij de ruisvloer zit en niets tegen het plafond aanloopt.
In een analoge keten heeft elke trap — preamp, EQ, compressor, sommeerbus — zijn eigen ruis en zijn eigen clippunt. Te zacht aan het begin en de ruis wordt later mee versterkt; te hard en een trap waar niemand naar kijkt gaat vervormen. Het doel is dat elke trap in zijn sweet spot werkt, met headroom naar boven. Daarom begint een kanaalstrip met een gain-knop en niet met de fader.
In een DAW met 32-bit floating point kan de interne sommering praktisch niet clippen en is veel van het oude advies achterhaald. Drie plekken doen er nog toe: de AD-converter, die bij 0 dBFS clipt; de DA-converter aan de uitgang; en plug-ins die analoge apparatuur nabootsen en anders kleuren naargelang ze harder worden aangestuurd. Als vuistregel geldt ongeveer −18 dBFS aan die ingangen.