Analoge computer
Een machine die niet rekent maar nabootst: de grootheid is een spanning of een gedraaide as, en het antwoord lees je af als meting.
Een digitale machine stelt 3,7 voor als een reeks cijfers. Een analoge machine stelt het voor als 3,7 volt, of een wiel dat 3,7 slagen is gedraaid. Rekenen wordt zo natuurkunde. Een integrator is een wrijvingswiel op een draaiende schijf. Een optelling zijn twee assen die een differentieel voeden. Een differentiaalvergelijking wordt opgelost door een opstelling die zich zelf aan diezelfde vergelijking houdt: geen instructies ophalen, geen klok, het antwoord verschijnt en blijft verschijnen terwijl je aan de knop draait.
Vóór 1950 was vrijwel al het serieuze oplossen van differentiaalvergelijkingen analoog: Kelvins getijdenvoorspellers, Bush' differentiaalanalysator, de vuurleidingscomputers in scheepstorens en onderzeeërs. Na de oorlog werden de machines met operationele versterkers gebouwd in plaats van tandwielen; het component heet zo omdat het een wiskundige bewerking uitvoerde. Vluchtsimulators en centralemodellen draaiden tot in de jaren zeventig analoog.
Snelheid was niet wat ze de das omdeed. De nauwkeurigheid bleef steken op ongeveer een tiende procent, hoe goed je ook bouwde, want de fout is fysiek en niet op te lossen met een extra cijfer. Herprogrammeren betekende kabels met de hand omsteken. En twee runs van hetzelfde probleem gaven nooit precies hetzelfde antwoord. Digitale machines waren eerst trager, maar herhaalbaar, en herhaalbaarheid won.