Von Neumann-architectuur
Het idee dat instructies en data in hetzelfde geheugen staan — wat de computer universeel inzetbaar maakte en hem tegelijk zijn smalste doorgang gaf.
Het komt uit First Draft of a Report on the EDVAC, een werkdocument dat Herman Goldstine in juni 1945 liet vermenigvuldigen met alleen de naam van John von Neumann op de omslag. De inhoud groeide uit discussies aan de Moore School, waar Presper Eckert en John Mauchly het ontwerp al in handen hadden, en de verspreiding gold juridisch als publicatie — wat later hun octrooiaanspraak de das omdeed. Het rapport verdeelt de machine in vijf organen: rekeneenheid, besturingseenheid, geheugen, invoer en uitvoer.
Het radicale deel is dat het programma in hetzelfde geheugen staat als de data. ENIAC moest voor elk nieuw probleem opnieuw worden bedraad; een stored-programmamachine leest een programma in precies zoals hij getallen inleest. Dat laat programma's op programma's werken, de voorwaarde voor assemblers, compilers en besturingssystemen.
De rekening komt als het von Neumann-knelpunt, een term die John Backus muntte in zijn Turing Award-lezing uit 1977: alles moet door één pad tussen processor en geheugen, en dat pad wordt het plafond. Het alternatief, de Harvard-architectuur, houdt instructies en data gescheiden. Moderne processors zijn aan de buitenkant von Neumann en in de kern Harvard, met gescheiden L1-caches voor code en data — het knelpunt is niet opgelost maar begraven onder de cachehiërarchie.