Betalingsinstelling
De EU-vergunning voor bedrijven die andermans geld verplaatsen zonder het te mogen uitlenen of er deposito's voor aan te nemen.
De categorie werd in 2007 gecreëerd door de eerste Betaaldienstenrichtlijn, PSD1. Daarvoor waren betalingen in de praktijk voorbehouden aan banken, en wie een betaaldienst wilde bouwen, moest een banklicentie nemen of een achterdeurtje vinden. Betalingsinstellingen kregen een eigen, lichter regime. Het startkapitaal ligt tussen 20.000 en 125.000 euro, afhankelijk van de aangeboden diensten, tegenover miljoenen voor een bank. In ruil daarvoor mag de instelling geen deposito's aantrekken en moeten klantgelden gescheiden van het eigen vermogen worden bewaard. De vergunning geldt in de hele EER dankzij passporting, en daarom hebben zoveel fintechs hun vergunning in Litouwen of Ierland.
PSD2 voegde in 2018 betalingsinitiatie en rekeninginformatie toe aan de diensten. Het verschil met een instelling voor elektronisch geld is dat die laatste een opgeslagen saldo mag aanhouden. Niemand heeft die grens ooit makkelijk kunnen uitleggen, en PSD3 stelt voor de twee vergunningtypen samen te voegen.