Cohen–Sutherland
Lijnclipping met viercijferige outcodes, waarmee de meeste lijnen worden geaccepteerd of verworpen zonder één deling.
Het vlak rond een rechthoekig venster wordt in negen gebieden verdeeld en elk eindpunt krijgt een code van vier bits: boven, onder, rechts, links. Zijn beide codes nul, dan ligt de lijn volledig binnen het venster. Is de bitsgewijze AND van de twee niet nul, dan liggen beide uiteinden aan dezelfde buitenkant en kan de lijn weg. Alleen de overgebleven gevallen vragen om een echt snijpunt: het storende eindpunt wordt naar de rand verplaatst en de test begint opnieuw.
Danny Cohen en Ivan Sutherland bedachten het in 1967 voor een vluchtsimulator, waar het grootste deel van de wereld altijd buiten beeld lag. Liang–Barsky (1984) is sneller voor lijnen die echt geclipt moeten worden, maar de outcodetruc heeft het langer volgehouden: dezelfde bitmaskers worden gebruikt om objecten goedkoop weg te gooien bij frustum culling.