IT-lexicon › Hardware › Unit-recordapparatuur

Unit-recordapparatuur

Hardware Svenska → Bijgewerkt: 2026-10-03

De machinezaal die ponskaarten sorteerde, telde en afdrukte zonder dat er ergens een computer te bekennen was — zestig jaar gegevensverwerking vóór de database.

Een ponskaart was een unit record: één volledige, op zichzelf staande regel, zonder bestandssysteem of index eromheen. De stapel was de database. Daaromheen stond een reeks machines die elk één stap deden — keypunch, verifier, sorteerder, collator, kopieermachine, interpreter en tabulator — en de operator droeg de stapel ertussen heen in de volgorde die de klus vereiste. Een salarisrun was letterlijk een wandeling.

Geprogrammeerd werd op een schakelbord: een paneel met honderden aansluitingen, met de hand bedraad om leesborstels met tellers en printers te verbinden. Van klus wisselen betekende het ene bord eruit halen en een ander erin zetten. Sorteren was fysieke radixsort, kolom voor kolom vanaf de minst significante, waarbij de hele stapel per kolom één keer door de machine ging.

IBM leefde hier tot ver in de jaren zestig van, en de inkomsten uit ponskaarten betaalden de ontwikkeling van System/360. De gewoonten overleefden de apparatuur: de regel van tachtig tekens, de volgnummers in kolom 73–80 voor wie de stapel op de grond liet vallen, en het woord batch voor een klus die draait zonder dat iemand erop zit te wachten.

← Terug naar het lexicon