Trifid-cijfer
De driedimensionale tegenhanger van het bifid-cijfer: elke letter wordt drie coördinaten in een kubus van 3×3×3.
Félix Delastelle beschreef het in 1902. De kubus telt 27 cellen (het alfabet plus één reservesymbool), verdeeld over drie lagen van drie rijen en drie kolommen. Elke letter wordt een drietal cijfers, verticaal onder de tekst geschreven; de cijfers worden vervolgens per groep van een gekozen periode horizontaal uitgelezen en weer als nieuwe letters opgezocht.
Elke cijfertekstletter hangt daardoor af van maximaal drie verschillende klaartekstletters. Dat verspreidt wijzigingen verder dan bifid, maar het principe is gelijk, en zodra de periode bekend is bezwijkt het voor statistiek. Als potloodoefening is het een vroege demonstratie van wat Shannon later diffusie noemde.