Subroutine
Een blok instructies dat één keer is geschreven en vanaf vele plaatsen wordt aangeroepen: het idee dat code hergebruikt kon worden in plaats van overgetypt.
Vroege programma's werden achter elkaar geschreven, met elke bewerking uitgeschreven op de plek waar die voorkwam. De subroutine doorbrak die gewoonte: een reeks die één keer wordt geschreven, bijvoorbeeld voor het berekenen van een wortel, en waar elk deel van het programma naartoe kon springen en van terugkeren. Goldstine en von Neumann introduceerden de term "subroutines" in hun rapporten Planning and Coding (1947), waarin ze "open" routines (inline gekopieerd) onderscheidden van "gesloten" (aangesprongen en gedeeld).
Het mechanisme was het lastige deel: een aangeroepen routine moet de weg terugvinden naar de aanroeper. David Wheeler loste dat in 1949 op bij EDSAC (de "Wheeler jump"), en EDSAC kreeg de eerste subroutinebibliotheek: ponsbanden in een archiefkast. Het leerboek van Wilkes, Wheeler en Gill uit 1951 maakte er een leerstelling van. Elke functie, methode en procedure sindsdien is een subroutine met betere manieren.