Ponskaartlezer
Een apparaat dat programma's en data in een computer invoerde door de gaten in stapels ponskaarten af te tasten.
De kaart werd rij voor rij door de lezer getrokken terwijl het mechaniek naar gaten zocht. Oudere machines gebruikten metalen borstels die door een gat contact maakten met een rol eronder; latere optische lezers lieten licht door het gat op een fotocel vallen. Elke kolom van de IBM-kaart met 80 kolommen werd één teken, en een hele stapel werd een programma of dataset op weg naar een mainframe.
De leessnelheid kwam bij de snelste modellen op een paar duizend kaarten per minuut, waarbij complete stapels automatisch uit een invoerbak werden toegevoerd. Een kaartenstapel die over de vloer verspreid raakte was een beruchte manier om een hele dag werk kwijt te raken — vandaar de gewoonte om een diagonale streep over de rand van de stapel te trekken. Terminals en magneetband maakten de lezer in de jaren zeventig overbodig.