Constant transmitter (ENIAC)
De weg naar de snelste rekenmachine ter wereld liep via een kaartlezer die ongeveer twee kaarten per seconde deed.
ENIAC had drie manieren om getallen te ontvangen, en de constant transmitter was de enige die je kon veranderen zonder schroevendraaier. Hij bestond uit rijen schakelaars waarmee een operator waarden met de hand instelde, plus een koppeling met een IBM-kaartlezer van zo’n 125 kaarten per minuut. Tussen die twee werelden zaten relais als buffer: de lezer was mechanisch en traag, de elektronica erachter werkte op een maat van 200 microseconden, en iets moest de cijfers ertussenin vasthouden.
Die mismatch is het hele punt van de eenheid. De rekenkunde haalde vijfduizend optellingen per seconde, terwijl de invoer binnenkwam in het tempo van een elektromotor en stukken karton. Een run die veel waarden uit het kaartspel nodig had, werd dus niet door ENIAC begrensd maar door de IBM-apparatuur aan beide kanten — het knelpunt dat een halve eeuw later de naam I/O-bound kreeg.