DCOP
De eigen berichtenbus van KDE 2 en 3, het Desktop COmmunication Protocol, waarmee elk KDE-programma vanaf de opdrachtregel kon worden aangestuurd en dat D-Bus later kopieerde.
KDE was van plan zijn tweede versie op CORBA te bouwen, zoals eind jaren negentig iedereen vond dat het hoorde, en gaf dat op toen bleek dat elke component IDL-bestanden, een ORB en geduld vereiste. Matthias Ettrich en Preston Brown schreven in plaats daarvan iets kleins bovenop ICE, de bibliotheek die X11R6 al gebruikte voor sessiebeheer. Eén server per sessie, dcopserver, hield bij welke programma's verbonden waren; elk programma publiceerde objecten met functies, en een aanroep werd geadresseerd met applicatienaam, object en signatuur. Argumenten werden gemarshald met de eigen datatypen van Qt, wat eenvoudig was zolang beide kanten KDE-programma's waren, en dat was nu juist de bedoeling.
Wat DCOP geliefd maakte was het commando dcop: vanuit een shellscript kon je de achtergrond wijzigen, de muziekspeler bedienen of een tabblad openen in Konqueror, en met kdcop kon je alles doorbladeren wat aangeroepen kon worden. Het model was goed genoeg om Havoc Pennington als sjabloon voor D-Bus te dienen, waarop KDE 4 in 2008 overstapte. Het was een van de zeldzame keren dat de GNOME-kant KDE kopieerde en KDE het resultaat daarna terugnam.